Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Over extremistisch denken en doen wordt veel gediscussieerd en beweerd, maar wat weten we nu wel en wat niet? Onderzoekers van de UvA deden in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) een grootschalige, systematische review van het empirisch onderzoek naar radicalisering tot dusver. Hun bevindingen bevestigen dat het een complex proces is. De onderzoekers vonden een breed scala aan factoren – ruim honderd in totaal – die samenhangen met radicalisering. De factoren zeggen niet noodzakelijkerwijs iets over de oorzaken, maar helpen wel om het proces van radicalisering beter te begrijpen. Dat biedt aanknopingspunten voor interventies om radicalisering en extremistisch geweld te voorkomen.

Afbeelding: Pexels

‘Als er wordt gesproken over de oorzaken van radicalisering en extremisme zie je soms dat de nadruk eenzijdig op factoren als religie, armoede of discriminatie wordt gelegd. Ons onderzoek laat echter zien dat er niet één factor doorslaggevend is’, vertelt eerste auteur Lars Nickolson. ‘Het gaat altijd om een combinatie van factoren die iemand richting extremistische ideeën en geweld duwt. En die combinaties kunnen heel verschillend zijn, omdat mensen uiteenlopende radicaliseringsprocessen kunnen doorlopen. Het gaat om zo veel factoren en combinaties daarvan dat een simpele checklist, waarmee je bij wijze van spreken kunt voorspellen of iemand radicaliseert, niet mogelijk is. De werkelijkheid is daar helaas te ingewikkeld voor.’ De onderzoekers brachten het geheel aan verschillende (soorten) factoren die de kans op radicalisering en extremisme vergroten, samen in een model. Hierin onderscheiden ze verschillende fasen van het radicaliseringsproces en wordt rekening gehouden met de verschillende routes en drijfveren die dat proces kunnen kenmerken.

Van ontvankelijkheid naar handelen

De onderzoekers keken in 707 wetenschappelijke (peer-reviewed) empirische studies naar factoren die samenhangen met zowel de ontvankelijkheid voor extremistische ideeën als de stap naar extremistisch handelen. In beide gevallen gaat het relatief vaak om jonge mannen, maar komt ontvankelijkheid bijvoorbeeld vaker voor bij lager opgeleiden met een lager inkomen, terwijl zij die extremistisch handelen diverser zijn qua opleidings- en inkomensniveau.

Verder komt ontvankelijkheid vaker (maar niet noodzakelijkerwijs) voor bij mensen met specifieke levensbeschouwelijke overtuigingen, bepaalde waarden (bijvoorbeeld sociale dominantie en autoritarisme), persoonlijkheidseigenschappen en (mentale) ziektes. Ingrijpende gebeurtenissen (zoals de dood van een naaste) kunnen de ontvankelijkheid van iemand triggeren, terwijl specifieke weerbaarheidsfactoren (kritisch kunnen denken en om kunnen gaan met negatieve emoties) de kans op ontvankelijkheid juist verminderen.

Bij de stap naar extremistisch handelen zien we dat de personen in kwestie vaker een crimineel verleden hebben. Zij hangen vaker bepaalde normen en waarden aan (bijvoorbeeld een overdreven gevoel van superioriteit van de eigen groep) of hebben een specifieke basisbehoefte aan sensatie en ertoe doen. Verder spelen bij extremistisch handelen een samenhang met bepaalde groepsfactoren en -processen (zoals ideologie) en gelegenheids- en capaciteitsfactoren (zoals de aan- of afwezigheid van beveiliging of deelname aan een trainingskamp) een belangrijke rol. Daarnaast blijkt uit onderzoek op nationaal niveau dat landen met meer terroristisch geweld vaker veel en jonge inwoners met verschillende achtergronden qua cultuur en herkomst hebben, en zich vaker kenmerken door politieke instabiliteit, repressie, polarisatie, meer werkloosheid en grotere inkomensverschillen.

Hoe ingrijpen?

‘Uit onze literatuurstudie komt ook naar voren dat er nog altijd veel onduidelijkheid is over hoe we effectief kunnen ingrijpen om processen van radicalisering te stoppen of af te remmen’, schetst Nickolson. ‘Duidelijk is dat preventie sowieso heel belangrijk is, want hoe verder iemand is in het radicaliseringsproces, hoe moeilijker het wordt om in te grijpen. Belangrijke factoren in de beginfase zijn weerbaarheid en persoonlijkheid. Daarop gerichte interventies zoals trainingen en voorlichting lijken beloftevol. Maar het hoeven niet altijd specifieke projecten te zijn. Ook ‘normaal’ beleid dat zich richt op een goede psychosociale ontwikkeling van jongeren door gedegen onderwijs, goed jongerenwerk, goede jeugdzorg e.d. is van belang.’

‘In latere fases van het radicaliseringsproces is het onder andere belangrijk om te kijken naar psychologische drijfveren’, vult coauteur Bertjan Doosje aan. ‘Waardoor voelt iemand zich aangetrokken tot een radicale groep? Er is niet één type geradicaliseerde. De een is heel onzeker en op zoek naar zichzelf, en denkt dat in zo’n radicale groep te kunnen vinden. De ander is op zoek naar sensatie en actie. En dan is er ook nog het from zero-to-hero-type dat zich altijd buitengesloten voelt en nu wel door een groep geaccepteerd wordt. Als je mensen wilt helpen eruit te stappen en te deradicaliseren, zul je moeten kijken naar hun motivatie. Op die manier krijg je zicht op de onderliggende behoeftes en kun je je benadering daarop aanpassen, wat de effectiviteit van de interventiemethode kan vergroten.’

De onderzoekers sluiten hun rapport af met een aantal aanbevelingen. Zo pleiten ze voor vervolgonderzoek in de vorm van een meta-analyse of netwerkanalyse en onderzoek naar het effect van de cumulatie van de aangetroffen factoren. Ook is meer evaluatieonderzoek nodig naar de effectiviteit van bestaande interventies.

Publicatiegegevens

Lars Nickolson, Naomi van Bergen, Allard Feddes, Liesbeth Mann en Bertjan Doosje: Extremistisch Denken en Doen. Een systematische studie van empirische bevindingen over het radicaliseringsproces (10 juni 2021).

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Afdeling Extern Wetenschappelijk Beleidsonderzoek, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (projectnummer WODC-3050), Ministerie van Veiligheid en Justitie in Den Haag.