Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Op 31 december jl., na een spoedopname in het ziekenhuis, overleed emeritus hoogleraar Nederlands en vergelijkend staatsrecht Jan de Meij op 82-jarige leeftijd. Hij was van 1983 tot zijn emeritaat in 2003 verbonden aan de toenmalige vakgroep Staatsrecht van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Wouter Hins, die promoveerde bij Jan de Meij, deelt zijn herinneringen.

Jan de Meij

De Meij was een veelzijdig man. Niet alleen een begaafd jurist, maar ook een kenner van Scandinavië met als specialisatie Zweeds. Bovendien had hij een warme belangstelling voor historisch onderzoek, in het bijzonder op het gebied van de persvrijheid en later ook Nederlands-Indië. Nog meer dan het woord ‘veelzijdig’, gebruiken voormalige collega’s en studenten de kwalificatie ‘aimabel’ om hem te beschrijven. Als het ooit knetterde tussen botsende karakters, was Jan de Meij de ideale persoon om te bemiddelen. Gebruikmakend van zijn charme liet hij ruziemakers al snel inzien dat er belangrijker problemen op de wereld bestonden.

Jan de Meij werd op 19 december 1938 geboren in Vlissingen. Hij heeft als kind de Duitse bezetting meegemaakt en twee watersnoodrampen. Eerst de onderwaterzetting van Walcheren op 3 oktober 1944. De geallieerden hadden de dijken gebombardeerd om de Duitsers te verdrijven. Daarna volgde de stormramp van 1 februari 1953. Met name de gebeurtenissen in de oorlog zijn Jan altijd bijgebleven. Na een dubbele studie Rechten en Scandinavistiek aan de UvA ging hij als docent en onderzoeker Staatsrecht werken bij de Universiteit Utrecht. In 1975 promoveerde hij daar op het proefschrift De vrijheid en de verantwoordelijkheid van de pers. Een onderzoek naar de betekenis van de Raad voor de Journalistiek in het kader van de informatievrijheid. Het proefschrift gaat over veel meer dan de Raad voor de Journalistiek. Met evenveel recht had de ondertitel kunnen luiden: ‘Een onderzoek naar de betekenis van de informatievrijheid, onder meer in het kader van de Raad voor de Journalistiek’. Gezien zijn belangstelling verbaast het niet dat hij grondig historisch onderzoek had gedaan, in het bijzonder naar de rechtsontwikkeling in Zweden.

Het proefschrift was niet zijn eerste publicatie over informatievrijheid. Reeds in 1969, 11 jaar voordat in Nederland de Wet openbaarheid van bestuur in werking zou treden, verdedigde Jan de Meij het belang van een vrije toegang tot overheidsinformatie. In het onder redactie van De Goede en Van Maarsseveen uitgegeven boek Hoe openbaar wordt ons bestuur? verscheen een opstel van zijn hand, getiteld ‘Het recht op informatie van de burger’. Hierin pleitte De Meij voor de grondwettelijke vastlegging van een opdracht aan de wetgever om het recht van eenieder te regelen op objectieve en zo volledig mogelijke informatie over wetgeving, bestuur en rechtspraak. Natuurlijk werd ook hier verwezen naar Zweden, waar reeds in 1776 een grondwettelijke regeling inzake de openbaarheid van overheidsdocumenten werd vastgesteld.  Het Zweedse ‘offentlighetsprincip’ houdt in dat alle overheidsdocumenten openbaar zijn, tenzij een dwingende reden zich daartegen verzet. Toen in 1980 de Nederlandse Wet openbaarheid van bestuur in werking trad, vond Jan de Meij deze wet niet ver genoeg gaan. Dat blijkt uit zijn commentaar in het Nederlands Juristenblad van dat jaar met de veelzeggende titel ‘Wet openbaarheid van bestuur: half ei of lege dop?’

Ter voorbereiding van het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over een samenhangend mediabeleid dat in augustus 1982 zou verschijnen, schreef De Meij, inmiddels universitair hoofddocent in Utrecht, een voorstudie getiteld: ‘Overheid en uitingsvrijheid’. Hierin wordt een analyse gegeven van diverse samenhangende rechten: de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen, de vrijheid van nieuwsgaring, de mediavrijheid en het recht op toegang tot overheidsinformatie. Als overkoepelende term stelde hij het woord ‘uitingsvrijheid’ voor, dat nadien ook door veel vakgenoten gebruikt is.

Deze invloedrijke publicaties zullen ongetwijfeld geholpen hebben bij zijn sollicitatie naar de functie van hoogleraar Staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Met zijn collega proximus Lucas Prakke heeft Jan de Meij meer dan 20 jaar leiding gegeven aan wat toen nog heette de vakgroep Staatsrecht. Vandaag de dag spreekt men bij de UvA van een leerstoelgroep en zijn de ooit gescheiden vakgroepen Staatsrecht en Bestuursrecht verenigd tot één leerstoelgroep Staats- en bestuursrecht. De Meijs reputatie als specialist op het gebied van de informatievrijheid werd in de jaren daarna door een aantal factoren versterkt. Om te beginnen gingen enkele jonge medewerkers promotieonderzoek doen op dit terrein. Vanaf 1989 zijn onder zijn toezicht 8 proefschriften verschenen. Trefwoorden zijn straatcommunicatie, journalistiek privilege, persbeleid, buitenlandse omroep, omroepvrijheid, vrijheid van toneel, overheidsvoorlichting en rectificatie. Een goede quizvraag zou zijn: welke 8 juristen (m/v) schreven deze proefschriften?

Nu een kring van jonge onderzoekers rond De Meij ontstaan was, allemaal bezig met fundamentele informatierechten, kwam de gedachte op om samenwerking te zoeken met de toenmalige hoogleraar Auteurs-, media- en informatierecht, Herman Cohen Jehoram. Ook hij had onderzoekers aangetrokken die zich bezig hielden met de juridische status van informatie. Cohen Jehoram was echter verbonden aan de vakgroep Privaatrecht en zat aan de andere kant van het faculteitsgebouw. Elkaar regelmatig tegenkomen bij het kopieerapparaat zat er dus niet in. In mei 1985 besloten de besturen van de vakgroepen Privaatrecht en Staatsrecht – ingefluisterd door Cohen Jehoram en De Meij – daarom tot de oprichting van een werkgroep ex artikel 18 (oud) van de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming. Volgens artikel 18 WUB konden vakgroepen veel van hun bevoegdheden delegeren aan zo’n werkgroep. In het reglement, goedgekeurd door de Faculteitsraad, kreeg de Werkgroep tot taak ‘het bevorderen, coördineren en uitvoeren van onderzoek en onderwijs omtrent de juridische aspecten van informatie en communicatie in de breedste zin des woords’. De werkgroep ging heten ‘Werkgroep Informatierecht en Uitingsvrijheid’. Twee jaar later veranderde de werkgroep tot een instituut in de zin van artikel 93 e.v. (oud) van de Wet Wetenschappelijk Onderwijs. Het Instituut voor Informatierecht (IViR) was geboren.

Op wetenschappelijk vlak profileerde De Meij zich nog eens door zijn standaardwerk Uitingsvrijheid, waarvan de eerste druk verscheen in 1989, de tweede in 1996 en de derde in 2000. Men zou verwachten dat De Meij zijn werktijd nu wel gevuld had met onderzoek op het gebied van het informatierecht, het begeleiden van promovendi, het geven van colleges over algemeen staatsrecht en het managen van een vakgroep. Dat is echter een misvatting. In 1986 verscheen van zijn hand het studieboek Inleiding tot het staatsrecht, bestemd voor eerstejaars studenten Rechtsgeleerdheid. Vanaf de derde druk in 1990 ging het heten Inleiding tot het staatsrecht en het bestuursrecht. Kenmerkend voor het boek is de aandacht die het besteedt aan de historische achtergrond van instellingen en regelingen. Duizenden rechtenstudenten, alleen al bij de UvA, moeten zijn beïnvloed door De Meij, De laatste, negende druk, dateert van 2004. Ten slotte leverde De Meij een bijdrage aan de opeenvolgende drukken van het handboek Het staatsrecht van landen van de Europese Unie. Zijn hoofdstuk betrof – hoe kan het ook anders? – het staatsrecht van Zweden. Hij verzorgde nog de bewerking van dit hoofdstuk in een ingekorte editie over 7 landen van 2018, onder redactie van Besselink en Bovend’Eert.

In de loop van de jaren 90 trok een nieuw onderwerp steeds meer zijn belangstelling: de geschiedenis van Nederlands-Indië en de politieke opvattingen in Nederland over koloniaal zelfbestuur. Waarom deze belangstelling opbloeide, is niet vast te stellen. Wellicht kwam het omdat hij zich over een Indonesisch meisje had ontfermd, dat in Indonesië bleef wonen en waarvan hij de opleiding financierde. De volgorde kan echter ook andersom zijn geweest: eerst belangstelling voor het land, waarna hij in contact kwam met zijn toekomstige pleegdochter. Feit is dat De Meij aan het slot van zijn carrière nog een 9de promovendus ging begeleiden, die onderzoek zou doen naar regelgeving in Nederlands Oost-Indië in de periode 1602-1942. Deze onderzoeker, Nick Efthymiou, is in 2005 gepromoveerd met de inmiddels emeritus-hoogleraar Jan de Meij als promotor.

Het woord ‘aimabel’ is al eerder gevallen. Ook de woorden ‘humor’, ‘idealistisch’ en ‘verstrooid’ kunnen worden gebruikt. Op de Oudemanhuispoort, waar de Faculteit der Rechtsgeleerdheid was gevestigd, deed enkele jaren een anekdote de ronde die in omloop moet zijn gebracht door Jan de Meij zelf. In de jaren 90 dreigde het treinstation in Driebergen-Zeist, waar Jan toen woonde, de status van Intercitystation te verliezen. Jan stelde zich als vrijwilliger beschikbaar om handtekeningen te werven voor een petitie daartegen. Op het perron deelde hij formulieren uit aan wachtende reizigers. Nadat hij al een groot aantal formulieren had overhandigd, maakte iemand hem erop attent dat dit niet het formulier van de actiegroep was. Hij had per ongeluk het vragenformulier van het tentamen Staats- en bestuursrecht uitgedeeld dat die week werd afgenomen. Waarschijnlijk bleef het verhaal hangen, omdat het de bevlogen, soms wat vergeetachtige, Jan de Meij zo goed weergeeft.

Jan de Meij laat een zoon achter en twee kleinkinderen.

Wouter Hins
Universitair hoofddocent Staats- en bestuursrecht tot 2018, gepromoveerd bij Jan de Meij in 1991.